Quilten voor beginners


In deze "cursus" zal ik proberen je uit te leggen hoe je van een top een echte quilt maakt.
Want, zoals ik al eerder heb gezegd, bestaat een quilt uit drie lagen:
1. de top
2. de tussenvulling
3. de achterkant

Deze drie lagen worden aan elkaar bevestigd door middel van quiltsteken.
Je kunt zowel machinaal als met de hand quilten; ik zal me hier beperken tot het met de hand quilten.


Wat is quilten?

Quilten oftewel doorpitten doe je dus om de drie lagen van je quilt bij elkaar te houden.
De quiltsteek ziet er uit als een kleine rijgsteek. De kunst is om deze steekjes zo klein en zo regelmatig mogelijk te maken.
In het begin zal het zweet je uitbreken en zal het niet makkelijk gaan, maar je zult merken dat, hoe meer je oefent, hoe makkelijker het je zal afgaan. Doorzetten is hier het toverwoord!
Later in deze cursus zal ik uitleggen hoe je de steekjes maakt.


Wat heb je nodig?

*  Quiltnaalden (liefst nr. 10 of 12)
*  Quiltgaren in een kleur die mooi bij je quilt past
*  Vingerhoed
*  Veiligheidsspelden of rijggaren
*  Sjablonen, mallen of een tekening
*  H-potlood, zilverpotlood of een verdwijnstift
*  Quiltring
*  Achterkantstof
*  Tussenvulling in een dikte die bij je quilt past
*  Schilderstape


Voorbereiding

Als eerste moet je zorgen dat je top helemaal af is, dus compleet met evt. randen. Loop hem na op losse draadjes en controleer of alle naden (ongeveer) even breed zijn. Strijk de top (na het quilten kan dat niet meer!).

Dan ga je een quilt-ontwerp maken. Er zijn diverse mogelijkheden om een ontwerp samen te stellen:

1. Quilten in the ditch.
Hierbij maak je de quiltsteekjes in de naad. Je volgt dus als het ware het patroon van je patchwork. Het resultaat is dat je de steekjes niet ziet, maar je krijgt wel het quilteffect.

Voordelen:
je hoeft van te voren geen tekening op je top over te brengen, de steekjes zijn niet zichtbaar, dus ook geschikt voor beginnende quilters.

Nadeel:
het is niet altijd makkelijk om in de naad te quilten. Vooral bij de naden is je quilt wat dikker en dat is altijd wat moeilijker om doorheen te komen.


2. Contour-quilten
Bij contour-quilten volg je ook de naden van het patchwork, alleen maak je de steekjes nu 0,75 cm vanaf de naad (of de applicatie of het patroon van de stof).

Ook hierbij is het voordeel dat je van te voren geen tekening hoeft over te brengen op je top. Vergeleken bij in the ditch quilten is deze techniek iets gemakkelijker omdat je net buiten de naadtoeslagen quilt, dus je hebt geen last van diktes.


3. Echo-quilten
Echo-quilten doe je, net als contour-quilten, rond een patchwork- of applicatievorm.
In plaats van 1 maal om de vorm heen te gaan, maak je met echo-quilten steeds repeterende lijnen om de vorm, allemaal op dezelfde afstand van elkaar.
Ook dit is een simpele methode, heel geschikt voor beginners.


4. Motieven
Motieven, zoals bijvoorbeeld bloemen, kransen of andere figuren, kun je heel mooi aanbrengen midden in een blok of paneeltje.
Het vergt wat oefening om een motief mooi te quilten, maar het geeft je quilt wel een bijzondere uitstraling.
De tekening voor motieven moet je van tevoren overbrengen op je top.


5. Doorlopende patronen
Hierbij kun je denken aan bijvoorbeeld kabels die je op de randen (borders) kunt aanbrengen. Ook deze tekeningen moet je van tevoren overbrengen op je top.


6. Vulpatronen
Vulpatronen zijn bijvoorbeeld rasters, waarmee de hele achtergrond wordt opgevuld.
Een raster kan, maar hoeft niet altijd te worden opgetekend. Je kunt namelijk ook gebruik maken van afplakband. Dit plak je op je top en dan quilt je er netjes langs.
Plak nooit je hele quilt in 1 keer af, maar alleen het deel dat je denkt af te kunnen krijgen. Voor een raster kun je langs beide zijden van het plakband quilten, zodat je altijd even brede tussenstukken krijgt.


Mallen en sjablonen

Met mallen en sjablonen kun je een tekening eenvoudig aanbrengen op je top.
Je gebruikt hiervoor, afhankelijk van de kleur van de top, een normaal H- of zilverkleurig potlood, of evt. een verdwijnstift.
Van deze laatste zijn diverse varianten te koop in patchworkwinkels; de inkt verdwijnt door de stof nat te maken of te strijken. Probeer dit eerst op een restje stof uit, het is heel lelijk als je tekening na verloop van tijd toch weer zichtbaar wordt!

Mallen en sjablonen zijn te koop in patchworkwinkels en zijn er in veel soorten.
Niet voor alles is natuurlijk een mal of sjabloon te koop; je zult soms creatief moeten zijn om toch je gewenste tekening op je top over te brengen. Bij een lichte, doorschijnende stof kun je je tekening onder je stof leggen om hem op deze manier over te trekken.
Is je stof te donker of ondoorzichtig, dan kun je ook proberen om met speciaal textielcarbon je tekening op je stof te tekenen. Ook dit eerst uitproberen op een restje stof!

Controleer, voordat je een border gaat aftekenen met een mal of sjabloon, eerst hoe je uitkomt met de ruimte. Speld de herhalingen af en kijk hoe het het beste past. Misschien moet je je tekening iets "uitrekken" of juist iets inkrimpen. Let ook goed op de hoeken: na een hoek wordt het patroon vaak gespiegeld en moet je de mal dus omkeren.

Nadat het patroon op de top is overgebracht kun je gaan sandwichen.


Sandwichen

Meet je top op: de middenlijn, zowel horizontaal als verticaal. Knip of snij nu de stof voor de achterkant; deze moet rondom ongeveer 5 cm. groter zijn dan de top.

Als je een heel grote quilt maakt, kan het voorkomen dat de stof voor de achterkant niet groot genoeg is; zet dan 2 stukken aan elkaar om toch aan het juiste formaat te komen.

Strijk de achterkantstof.

Leg de achterkantstof met de goede kant onder op een grote vlakke ondergrond (grote tafel of vloer). Met behulp van schilderstape plak je de lap vast op de ondergrond waarbij je er op let dat de stof mooi strak wordt gespannen.

Leg de tussenvulling op de achterkantstof en strijk het glad met je handen, zonder het uit te rekken. Knip de tussenvulling iets kleiner dan de achterkantstof.

Leg nu de top met de goede kant boven op de andere 2 lagen. De wattering moet aan alle kanten iets uitsteken. Zet nu de top op dezelfde manier vast als de achterkant.

Nu kun je de drie lagen aan elkaar gaan bevestigen. Speld de lagen vanuit het midden op elkaar. Zet de spelden niet verder dan 15 cm uit elkaar.

Na het spelden kun je de tape verwijderen en ga je de quilt rijgen, over de spelden heen. Als je in plaats van gewone spelden veiligheidsspelden gebruikt, hoef je de quilt niet persé te rijgen; dit bespaart je veel tijd, maar je kunt tijdens het quilten wel last hebben van de veiligheidsspelden.
Om de randen van de tussenvulling te beschermen, vouw je de uitstekende achterkant om naar de voorkant en zet je deze met spelden of rijgdraad vast. Zo voorkom je dat de wattering gaat schuiven.
En nu gaan we quilten!


Quilten

Begin altijd vanuit het midden te quilten en werk naar buiten toe.
Als beginner kun je het best gebruik maken van een quiltring of -frame.
Een quiltring bestaat uit twee houten ronde of ovale ringen met een schroef op de buitenste ring.

Leg de kleinste ring onder het deel dat je wilt gaan quilten. leg de buitenste ring boven op je top en zet het geheel met de schroef vast. Draai de schroef niet te strak, anders kan je quilt uit vorm raken.
Om goed te kunnen quilten moet je quiltring er ongeveer uitzien als een "poezenbedje", dat wil zeggen: in het midden een lichte kuil, zodat je je naald goed kunt bewegen.

Gebruik een kort, fijn quiltnaaldje (nr. 9, 10 of 12).
Kies een kleur quiltgaren dat mooi bij je ontwerp en de kleur van je quilt past.
Knip een stuk quiltgaren van ongeveer 50 cm. af. Meestal is quiltgaren behandeld met was waardoor het beter door de quiltlagen glijdt. Is dat niet het geval dan kun je de draad ook zelf door de was halen (te koop bij patchworkwinkels).

Steek de draad door de naald en leg er een knoopje in door de draad een aantal keren om de naald te wikkelen en deze er dan doorheen te trekken.

Steek de naald een stukje vanaf je patroonlijn in de bovenlaag van je stof en breng de naald naar het punt waar je wilt beginnen. Trek de draad met een klein rukje door totdat het knoopje door de bovenlaag gaat.

Maak nu kleine rijgsteekjes door alle lagen heen.
Steek de naald recht naar beneden door alle lagen, vang hem op met je wijsvinger of duim van je andere hand en duw hem een heel klein stukje verder terug naar boven. Je hebt nu 1 steekje op de naald.
Omdat je nu een steekje op je naald hebt, heb je houvast genoeg om verder te sturen met je vingerhoed.
Stuur daarom nu met de vingerhoed aan je quiltvinger je naald weer recht naar beneden, vang hem weer op en duw hem met een scheppende beweging weer terug: je hebt nu 2 steekjes op je naald. Probeer evt. nog een derde en vierde steekje op je naald te krijgen voordat je de naald en draad doortrekt.

Ik merk hierbij op dat dit in het begin niet makkelijk is! Probeer de naald steeds verticaal naar beneden te steken, zodat je echt door alle lagen gaat. Laat de moed niet te snel zakken! Het is echt een kwestie van veel oefenen om gelijkmatige steekjes te krijgen. Maar door iedere dag een half uurtje te oefenen gaat het na verloop van tijd steeds beter en vlugger.

Soms heb je zoveel steekjes op je naald dat je de naald niet meer kunt beetpakken om hem door de stof te trekken. Hiervoor bestaan handige tangetjes (te koop bij patchworkwinkels).

Het afhechten gebeurt weer op dezelfde manier als het aanhechten: wikkel de draad een aantal malen om de naald (in dit geval zo dicht mogelijk bij de stof) en steek de naald alleen door de bovenlaag. Een eindje naast kom je weer "boven" met je naald en trek je het knoopje met een rukje weer in de tussenlaag. Knip het draadeindje nu af.


Afwerking van je quilt

Als je quilt helemaal doorgepit is, moet je er nog een bies en een tunnel aanzetten.
De tunnel is nodig om je quilt te kunnen ophangen.

Neem voor de tunnel een strook stof die 6 tot 8 cm breed is, exclusief de naden.
De lengte van de tunnel kan enkele centimeters korter zijn dan de breedte van de quilt. Zo voorkom je dat de lat of stok, die erin wordt geschoven, straks zichtbaar is. De bovenkant van de tunnel kun je tegelijk met de bies vastzetten; de onderkant moet je met de hand doen. Werk eerst de zijkanten netjes af met een zoompje. Speld dan de tunnel aan de bovenkant vast.

Voor de bies neem je stroken stof die je aan elkaar zet tot je de lengte van de hele omtrek van je quilt hebt.
Kies een kleur die bij je quilt past.
De breedte van de bies is afhankelijk van wat je mooi vindt; meestal wordt 4 cm. exclusief naad aangehouden, maar je kunt hem ook wat breder maken als je dat wilt.
Het is vaak het mooist om de bies er dubbel aan te zetten, dwz je vouwt de bies dubbel, stikt hem aan de goede kant van de quilt en vouwt hem dan om naar de achterkant. Aan de achterkant zet je de bies (evt. met een inslag) op het stiksel vast.
Als je de breedte van 4 cm. exclusief naad aanhoudt krijg je dus een zichtbaar biesje van 1 cm.

Als laatste moet je nog de onderkant van de tunnel vastzetten.

Tip: Voorzie je quilt nog van een label waarop je bijvoorbeeld je naam en de datum zet. Dan is hij pas echt af!

Om de quilt te kunnen ophangen neem je een lat of een stok van dezelfde lengte als de tunnel. Bevestig aan weerszijden een schroefoogje en schuif het geheel in de tunnel. Je kunt je quilt nu aan de muur hangen en er nog heel lang van genieten.

Veel succes!


  Home